Kansloos tegen grondtroepen en luchtmacht
Iets voorbij het voormalige café Roescher rijdend, kijk ik in het vroege voorjaar altijd automatisch naar rechts. Elk jaar in april of begin mei kijk ik - als ik van Hengelo richting Hengevelde rijd - hoeveel stokken er in het land van Gerrit Averdijk staan. Gerrit is een fervent liefhebber van weidevogels. Bij elk nest van een kievit of grutto plaatst hij een stok. Dan weet hij dat hij daar niet met de tractor overheen moet rijden en kan hij tevens in de gaten houden hoe het gaat met de bewoners.
Dit jaar stond er geen enkele stok. Ik nam poolshoogte. Waar waren Gerrits gevleugelde vrienden? Hij kon het zo wel onthouden, zei hij, want het waren er slechts vijf. Het doet hem zeer, ik merk het meteen als ik hem erop aanspreek. Vijf kievitsnesten. Slechts vijf. Er zat ook een scholeksterpaar, maar die zijn niet aan broeden toegekomen. Hij en zij waren al vele jaren graag geziene gasten op het land van Gerrit, maar het stel werd ruw uit elkaar gerukt toen een van de twee door een botsing met een auto op de Bentelosestraat dodelijk verongelukte. Daardoor heeft de weduwe of weduwnaar het hazenpad gekozen. Ik zie de teleurstelling over dit verlies in de ogen van Gerrit, mijn oud-klasgenoot van de lagere school. Een scholekster die vertrokken is, mis je. Je mist het typische geluid van het beest, zijn luide, maar zachtaardige roep, die tweetonige symfonie met een lengte van één seconde, die je jarenlang talloze keren per dag hebt gehoord en die je nooit verveelde. Ik weet het zelf uit ervaring. Er zat er altijd een op het platte dak van het hoofdgebouw van de Twentsche Courant Tubantiain Enschede. Elk jaar had ik het echtpaar daar in de smiezen. Scholeksters nestelen ook graag op platte daken. Handige uitkomst. Geen hermelijn of andere rover kan erbij.
Minder
Gerrit vertelt me dat een scholekster wel dertig, veertig jaar kan worden en dat ze altijd op dezelfde plek broeden. ‘Ik hoop dat hij/zij volgend jaar met een nieuwe partner terugkomt’, zegt hij. Je moet de moed erin houden als vogelliefhebber en dat geldt zeker voor hem. Ga maar na. In 2008 plaatste hij op zijn perceel van zo’n zes hectare liefst 43 stokken. Kieviten en grutto’s en die ene scholekster. In 2009 waren het er nog dertig en dit jaar dus nog vijf. Hij is lid van de weidevogelgroep van de Hof van Twente die sinds kort samengegaan is met de agrarische vereniging Hooltwark. Ze houden jaarlijks bij hoe de stand van zaken is. Eén conclusie kunnen ze nu al trekken. Het zijn er dit jaar weer minder.
Roofwild
Tien jaar geleden barstte het nog van de weidvogels. Reed je door Wiene, door de buitengebieden van Bentelo, Hengevelde, Markvelde, overal zag je kieviten, grutto’s en een enkele wulp of zelfs een tureluur of leeuwerik. Ik zette de auto wel eens stil om te kijken en te luisteren naar de prachtige gezangen van de vogels die jaarlijks de lente op fraaie wijze opfleuren. Of ik keek vol bewondering door mijn verrekijker naar een vlucht patrijzen die af en toe met een lichte boog, laag boven de grond vliegend, van plaats verwisselde.
De vrijwillige werkgroep komt in juni bij elkaar en bekijkt dan de score van 2013, maar de heren zullen net als Gerrit met verdrietige cijfers voor de dag komen. Weer minder dan vorig jaar. Uitvoerig denkwerk over de oorzaak is volgens Gerrit niet nodig. ‘Roofwild’, zegt hij gedecideerd. Hij verdeelt ze voor de duidelijkheid in twee groepen. ‘Je hebt de grondtroepen zoals ulken, marters, vossen, hermelijnen, egels, rondzwervende katten. En je hebt de luchtmacht met de sperwers, haviken, buizerds, kraaien, eksters.’ De grondtroepen en de luchtmacht. Mooie uitdrukkingen van Gerrit Averdijk, maar ze staan voor veel treurigheid. Overigens, ulken zijn bunzings, maar dat weet bijna iedereen.
Vossen
Gerrit herinnert zich dat er bij café Assink vijftig jaar geleden een feestje was, want de heren jagers hadden een vos geschoten. Hij glimlacht om het voorval van toen. ‘Dit jaar zijn er in de omgeving wel tien geschoten en nog zijn er hier teveel. Dat beest heeft zich enorm uitgebreid en je mag er niks aan doen. Ze zijn beschermd. Er moet wel een aantal overblijven, maar momenteel zijn er nog steeds teveel.’
Onzinnig
Hij schudt zijn wijze hoofd en brengt de komst van de wolf ter sprake. Het stond pas nog in de krant. De grondtroepen krijgen binnen afzienbare tijd in het oosten des lands versterking. ‘Over een paar jaar komt de wolf ons land binnen. Dan wordt het nog erger. Die leven in roedels. Ik zie ze al achter de reeën aanjagen, die dan tegen draden en hekwerken botsen of zelfs de weg oversteken met grote kans op ongelukken. Wolven in ons land, dat is onzinnig. Daar is hier geen ruimte genoeg voor met al die bebouwing en met te kleine percelen. Nog een rover erbij. Het wordt nog gestimuleerd ook, meestal door mensen die er totaal geen verstand van hebben. En vaak krijgen boeren de schuld, maar juist de meeste boeren zijn gek met de natuur’, zegt Gerrit die daarvan een prima voorbeeld is. Hij plaatste in 2008 nog 43 stokken bij de nesten vankieften, grutto’s en zijn speciale vriend de scholekster. Dit jaar had hij geen stok meer nodig. De vijf kievitsnesten die er nog waren (de jongen zijn inmiddels uit het ei gekropen) kon hij zo wel onthouden.
Waar eindigt deze neergang? Gerrit baalt ervan en ik baal met hem mee.