Toon Klaver, zeer begaafd Wegdammer

In de logeerkamer ligt een stapel schilderijen van dezelfde dag. In zijn atelier liggen duizenden tekeningen, schilderijen en aquarellen.  Dag in, dag uit werkt hij. Toon Klaver, de Lochemse kunstenaar die 83 jaar geleden in Hengevelde geboren werd.  Hij is bijna blind, maar produceert nog volop. ‘Omdat ik niet anders kan’, zegt hij. ‘Als ik hier boven in mijn  atelier ben, pak ik een vel papier en begin te schilderen. Een paar uur later ga ik naar beneden en ben ik behoorlijk moe. Maar ik wil dat zo. Het moet.’
Toon Klaver heeft een omvangrijk oeuvre gerealiseerd. Daarnaast werkte hij als restaurateur voor onder andere het koninklijk huis en had hij regelmatig contact met bekende kunstschilders als Jan Broeze, Theo Wolvecamp, Norbert Olthuis en Riemko Holtrop.
Hij stond er niet om te springen, maar toch mocht ik hem interviewen voor Wegdam Nieuws.

Toons walhalla, zijn atelier

‘Ik kan niet anders’

Elke kunstenaar wil vrij zijn, wil onbelemmerd kunnen maken wat hij voor ogen heeft. Toon Klaver is echter zwaar gehandicapt, omdat zijn gezichtsvermogen hem in de steek laat. Toch werkt hij door, dag in dag uit. Vijftig jaar geleden werd hij blind aan zijn linkeroog, sinds twee jaar lijdt zijn rechter aan macula degeneratie en dat is voor iedereen die het heeft buitengewoon vervelend, maar voor een kunstenaar is het extra lastig.

Een werk van Toon uit 2016.

BIJNA BLINDELINGS
‘Ik krijg alles brokkelig binnen, de krant kan ik niet meer lezen, televisie kijken doe ik met een speciale bril, maar de ondertiteling krijg ik niet mee. Het is zo rot dat ik dit gekregen heb. Ik maak daardoor ander werk dan vroeger. Ik schilder met grotere kwasten en niet meer figuratief. Ik heb veel aan modeltekenen gedaan, maar dat kan ook niet meer. Ik schilderde veel naakten en ook stillevens. Dat doe ik nog wel, maar dan uit het hoofd. En ik moet een tekening ineens afmaken, want een dag later kan ik er niet mee verder gaan. Ik schilder dus bijna blindelings. Wat het wordt, dat wordt het.’

Toon heeft mij na de begroeting met hem en zijn vrouw Jo  meteen meegenomen naar boven, naar zijn atelier, anders wordt het donker en zou ik niet kunnen zien hoe hij werkt en zou ik de imposante massa tekeningen die overal staan, liggen en hangen niet kunnen bewonderen. Op het bed in de logeerkamer liggen twee stapels recent werk. Overigens heeft hij deze kamer ooit uitgebreid met een door hemzelf getimmerde bedstee, zoals hij eigenlijk het voormalige boerenhuis in het centrum van Lochem helemaal zelf heeft opgeknapt en naar zijn hand heeft gezet. ‘Dat  vond ik altijd prettig om zelf te doen’, vertelt hij.
We lopen door het walhalla van de kunstenaar, zijn atelier. Dat ik daarbinnen mag kijken, is bijzonder. ‘Ik heb tot een jaar geleden nooit iemand mee naar boven genomen, zelfs mijn broers of zussen niet. Omdat dit mijn plek is. Ik kan van streek raken als iemand er wat van zou zeggen. Ik wil dat niet. Sommige kunstenaars nemen je meteen mee naar hun eigen domein. Ik niet. Ik ben eeneinzelgänger, dat besef ik wel.’

1957, Toons moeder Dina.

INDRUKWEKKEND
Het walhalla van Toon hangt helemaal vol en in rekken en mappen zitten nog honderden tekeningen en schilderijen. Het is indrukwekkend, ik sta vol bewondering rond te kijken.  ‘Hier gebeurt het allemaal. Elke dag. Als ik ’s morgens het licht hier aan doe, zet ik klassieke muziek op en dan begin ik. Ik schilder de laatste jaren altijd op papier. Dat is gemakkelijker’, zegt hij. ‘Voor het opspannen van linnen heb ik geen tijd. Je ziet dat ik nu de grote vormen zoek die contrasterend zijn. Ik kan geen verf meer mengen zoals ik vroeger deed.’
Op de overloop hangt een kleine, ingelijste aquarel die Toon in 1957 gemaakt heeft. Zijn moeder is aardappels aan het schillen. ‘Er zitten wel wat foutjes aan’, verontschuldigt hij zich’, maar ik vind het toch leuk om het te bewaren.’ Overal in huis hangt zijn werk en staan de beelden die hij gemaakt heeft. Ik ben geen kunstkenner, maar zie de schoonheid, de mooi gekozen kleuren, zie de fraaie vormen, de diepgang.  Jo serveert koffie plus koek. We gaan zitten. Ik mag mijn vragen stellen aan de kunstenaar en zijn vrouw die beiden uit Hengevelde afkomstig zijn.

Het ouderhuis van Toon in de jaren 60.

Hoe was jullie jeugd in Hengevelde?
Toon (van 20 januari 1933): ‘Dat was een heel mooie tijd. We waren bij Klaver met elf kinderen. Ik was de zesde. Ik had een hekel aan school. Soms liep ik naar huis, waarna mijn broer Herman mij terugbracht. Ik zat op het jeugdkoor. Toen ik tien jaar was, werd de dorpskern plat gebombardeerd. Zaterdagmorgen 17 juli om tien voor half 11. We zaten op school. Dat was een geluk, anders waren er meer doden gevallen. Ik zie de enorme chaos nog voor me. Bij Zwienenberg, onze buren, hadden ze twintig konijnen. Die waren allemaal los. We hebben ze bijna allemaal kunnen vangen, dat herinner ik me nog goed. Mijn broer Hennie lag boven nog in bed. Mama zei: “Gelukkig, jullie zijn er allemaal, maar ineens riep ze: o God, waar is Hennie?” Maar die stond onderaan de trap. Toen we daarna in zijn slaapkamer keken, zagen we op de plek van zijn kussen een scherf liggen.’

AFFICHE
In de zesde klas hadden we meester Piet Wassenberg. Achter in de klas hing een affiche van de Ambachtsschool in Enschede. “Huisschilder en decoraties” stond erop. Ik wist niet wat het was, maar ik besloot dat ik dat wilde worden. Zo kwam ik na de lagere school aan de Singel in Enschede terecht. We hadden daar een leraar, genaamd Maayer die van kunst hield. Hij gaf ons opdrachten om tekeningen te maken die we dan maandags moesten meebrengen. Ik kon er niets van. Op een dag moesten we een tekening maken van onze favoriete sport. Ik ben toen in het duivenhok van mijn vader gaan zitten. Dat lukte goed. Ik had een 10. Soms hielp mijn vader mij. Hij kon het ook goed. Ik weet nog dat hij ooit een affiche heeft gemaakt voor klompenmaker Koenderink.

De volgende slogan stond erop:
Wilt ge worden oud
Steek uw voeten in het hout
Wilt gij hiermee slagen
Dan moet ge Koenderinks Klompen dragen.’

Het gezin van Jans en Hanna Groothuis in de jaren 50 van de vorige eeuw. Bovenste rij vlnr: Christie, Jan, Annie, Marietje, Frans en Rikie. Midden: Rudie, Jans, Hanna, Betsie. Onder: Lies, Hendrik, Truus, Jo, Gerard, Willie.

JO
Jo is op 10 juni 1938 geboren als dochter van Jans en Hanna Groothuis, beter bekend als De Rooze. Ze is het tiende kind van de veertien. Jo: ‘Ook ik heb een hartstikke leuke jeugd gehad. Ik was nogal ondeugend, was een halve jongen, zo is mij vaak verteld. Na de lagere school heb ik de huishoudschool gedaan en ben daarna naar de kostschool in Sittard gegaan. De nonnen daar waren streng. Ik ben er weggestuurd, omdat ik stiekem brieven naar Toon stuurde en dat mocht niet.  Ik wilde kleuterleidster worden. Mijn moeder ging mee naar de opleidingsschool in Enschede en kwam ook daar in gesprek met een non. Ik bracht een slecht rapport mee uit Sittard, maar mocht er toch beginnen als ik op het eerstvolgende rapport geen onvoldoende zou hebben.  Ik haalde het en heb een paar jaar later ook nog de hoofdakte gedaan.  Ik heb eerst ruim drie jaar in Enter gewerkt en daarna hier in Lochem, waar ik meteen hoofd werd. In totaal heb ik 41 jaar op school gestaan.’

Jo

Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen?
Toon: ‘Ik haalde elke dag duivenvoer bij de Rooze. Ik ging er graag heen. Het was er gezellig met al die dames in huis. Dat was lang leve de lol.’

Jo: ‘Ik wou hem per se hebben. Het was zo’n aparte jongen. Hij was kunstschilder en daarnaast was hij zo godsgruwelijk eerlijk. Op 19 januari 1961 zijn we getrouwd. Alle kinderen van de kleuterschool in Enter waren erbij. We hadden toen drie jaar verkering. Kijk daar’, wijst ze op een eikenhouten kruisbeeld. ‘Dat heeft Toon zelf gemaakt en aan mij gegeven op ons verlovingsfeest. We zijn nu alweer 55 jaar getrouwd en ik heb er zeker geen spijt van.’
Toon: ‘Ik dacht: als ik het eerste jaar maar doorkom. Ik was helemaal niet bezig met dit soort dingen en had alleen maar aandacht voor schilderen.’

PARIJS
Voordat Toon en Jo officieel een echtpaar waren geworden, had Toon al een avontuurlijk leven achter de rug. In 1953 fietste hij naar Parijs waar een bevriende kunstenaar woonde en werkte. Dat was de Pools-Franse schilder Markiel die hij kende vanuit Lochem. Hij kwam vaak op het atelier van Toon in de voormalige bibliotheek. In Parijs woonde Markiel pal naast de Folies Bergères. ‘Ik bleef daar een tijdje en ging daarna terug. Later gingen we elk jaar een maand naar Frankrijk en logeerden dan ook een week bij hem. Eén keer is hij doorgefietst naar Bretagne en is daar een maand of twee, drie gebleven. Hij ging samen met Joop Kruip uit Lichtenvoorde. Ze namen een tentje mee en redden zich verder wel.

Hoe kwamen jullie daar aan de kost?
Toon: ‘In kroegjes tekenden we de mensen die er zaten. Dan krijg je al snel een band en ook wat te eten. Zo deden we dat vaak. Mijn moeder in Hengevelde was er minder blij mee. Ze zat er erg over in. Ik schreef trouw naar huis hoe het met ons ging en wat we daar zoal deden.’

1933. Bernard en Dina Klaver hadden toen zes kinderen. Vrnl Toon (op de schoot van Dina), Herman, Gerrit (onder), Miny, Diny en Catrien.
Portretje van Toon als jongeman.

HAANSTRA
Toons vader had het al vroegtijdig in de gaten, zijn kunstzinnige zoon zou hem eigenlijk opvolgen als schilder, maar hij zag dat hij liever kunstenaar wilde zijn. ‘Meestal zat ik om vier uur al ergens buiten te tekenen’, vertelt Toon. In de beginjaren vijftig ging hij dan ook naar de avondschool van de AKI, de kunstacademie in Enschede. Overdag werkte hij. Op die avondschool kreeg hij de bekende kunstenaar Johan Haanstra als docent die hem adviseerde naar de dagschool te gaan. ‘Ik kwam meteen in het derde leerjaar en mocht in december al doorgaan naar het vierde jaar. Maar een tijdje later moest ik van school af. Ik ging elke dag met de fiets vanuit Hengevelde, 25 kilometer heen en weer terug. Op een dag was ik te laat. Ik moest eraf. Gelukkig hield ik contact met Haanstra. Ik mocht mijn werk altijd aan hem laten zien.’
Toon was kunstenaar, maar voelde zich ook onzeker.  Op en dag fietste hij naar Elsenerbroek, waar de bekende kunstschilder Jan Broeze woonde en werkte. ‘Hij nam me mee naar de schuur waar hij zijn atelier had. Ik keek mijn ogen uit’, zegt Toon.

Zelfportret van Toon (ca 1990, olieverf op karton 50x4.

In 1955 ben je in Lochem terechtgekomen. Hoe ging dat?
‘Daar zat de bekende decorschilder Van Ootmersum. Hij maakte ook decors voor de Hengeveldse toneelvereniging De Wegdammers.  Ik keek ernaar, vond het prachtig en mocht hem helpen. Toen vroeg mijn vader hem of hij mij kon gebruiken. Dat kon. Ik maakte destijds bijvoorbeeld grote doeken voor de bioscoop in Lochem. Die kwamen boven de deur te hangen om de voorbijgangers te lokken naar de film te gaan.’

Daarna werd je ook restaurateur.
‘Daar rolde ik in. In  Lochem had je de antiquairs Nijstad, twee broers. Ze waren hofleverancier. Af en toe hadden ze een klusje om iets te restaureren. Via een zeker heer Traas, die restaurateur was bij het Mauritshuis, kreeg ik een karwei in het kasteel Slot Zeist. Ik moest daar een groot plafond maken dat geschilderd was door Mattheus Terwesten. Het originele ontwerp was teruggevonden.

Kreeg je mooie klussen?
‘Zeker. Kasteel Drakensteyn waar Beatrix toen woonde, was mijn eerste grote opdracht. Daar heb ik drie maanden gezeten om een Chinees behang bij te werken dat door Beatrix was uitgezocht voor de eetzaal. Het kasteel valt onder Monumentenzorg en daardoor kwam ik later ook voor die instantie te werken.  In Amsterdam restaureerde ik in grachtenpanden en in de Nieuwe Kerk de orgelluiken. Ik sliep dan altijd bij het Leger des Heils, lekker goedkoop. Maar ’s nachts kwam daar van alles binnen, onder andere veel drugsverslaafden. Ik heb toen een tijd ingewoond bij de moeder van een collega. In het weekend ging ik dan naar huis. Uiteindelijk was ik blij dat ik weg kon uit Amsterdam. Weg van de drukte daar. Verder had ik een mooie job op het Landgoed Sparrendaal in Driebergen. Tussendoor heb ik altijd geschilderd. Mijn vrouw Jo stond aan school, die bracht een mooi inkomen mee. Zo hebben we het allemaal goed kunnen doen. Het restauratiewerk heb ik nog tot tien jaar geleden gedaan. Toen ging het niet meer vanwege mijn slechte ogen. Ik deed op het laatst nog doeken voor particulieren. En verder heb ik dit huis ook vaak verbouwd. Ik vind dat mooi werk om te doen, metselen en timmeren.’

De nationaal bekende tekenaar Norbert Olthuis (links) in gesprek met Toon.

Jij hebt de bekende schilders uit Twente goed gekend?
‘Ja, Theo Wolvecamp kwam hier regelmatig. Ik zie hem daar nog zo zitten. Hij had zoveel kennis. Het was een vurige, heftige man. Ik ben ook wel bij hem in Hengelo geweest.  Holtrop kwam hier ook. Wat hij maakte vond ik wel mooi, maar het was zo’n geworstel. Norbert Olthuis vond ik een geweldige tekenaar. Hij woonde in Amsterdam, maar had ook een atelier in Bentelo.  Ik sprak hem nog op zijn tentoonstelling en een paar dagen later is hij overleden. Dat was in december 2009. Johan Haanstra kende ik al sinds de Aki en Jan Broeze heb ik opgezocht toen ik pas begon als kunstschilder. Later heb ik hem vaak bezocht. Al die bekende mannen waren voorbeelden voor mij.’

Dochter Geraldine (1980, olieverf op doek 45x50cm).

Hoe bevalt jullie het leven in Lochem?
Toon: ‘Prima. Hengevelde gaf me weinig. Er was weinig kunst. Ik ga nog altijd graag naar Hengevelde, maar ben blij dat ik in Lochem woon en werk.  Ik zat hier bij een modeltekenclub, soms ga ik een potje biljarten zolang ik het nog kan zien op dat groene laken en ik ben ook nog imker. Daar helpt me iemand mee, omdat ik steeds minder kan zien. Maar het liefst schilder ik de hele dag. Ik kan niet anders. Als ik even beneden ben, wil ik weer naar boven.’
Jo: ‘En wat ook leuk is, Toon kan alles maken. Een kastje wat kapot is, repareert hij op gevoel. Hij heeft hier in huis ook veel getimmerd en vertimmerd. Ikzelf heb hier een volkstuin waarin ik mijn hoofd en energie kwijt kan. Ook zet ik me sinds 1983 in voor de Stichting Muyinga Burundi.’ Jo heeft deze Stichting zelf opgericht met als doel gehandicapten en weeskinderen in dit arme Afrikaanse land een beter bestaan te geven. Op eigen kosten heeft ze het land al een keer of zeven bezocht.

Wonen de kinderen ook in Lochem?
‘Nee. Geraldine is de oudste, ze is 49. Haar man is medewerker bij Langezaal in Haaksbergen, ze hebben één kind. Ze wonen in Elsenerbroek naast het huis waar destijds Jan Broeze woonde. Ze is pedicure en massagetherapeut. Hanneke is kleuterjuf in Zwolle. Ze woont in Balkbrug. Ze is getrouwd met Lajos, een ondernemer. Ze hebben drie kinderen.’

Dochter Hanneke (1981, olieverf op doek 60x55cm).

Heb je veel werk verkocht?
Toon: ‘Nee, niet veel. Meestal verkocht ik aan particulieren.’
Jo: ‘Hij houdt niet van publiciteit. Ik vind het jammer dat er niet meer mensen van kunnen genieten. Maar hij wil het niet. Het staat hem tegen. Toon is een einzelgänger.’

In 2008 was in het oude postkantoor van Lochem een overzichtstentoonstelling van Toon te zien. Hij was toen 75 jaar. Er is toen ook een boek over hem verschenen. Er kwamen veel mensen kijken. Hij had honderd schilderijen en tekeningen geselecteerd.  Maar vond de drukte, het uitzoeken, de twijfel en al dat gedoe rondom de organisatie maar niks. Ik vraag hem of het niet mooi zou zijn om nog eens in Hengevelde een tentoonstelling te houden, in zijn geboorteplaats, in De Marke bijvoorbeeld.

Nee’, zegt hij. Daar voel ik weinig voor. En ik praat daar ook liever niet over. Ik word er nerveus van. Ik heb het wel eens een enkele keer gedaan, maar hou er niet van.’
Jo: ‘Toon wil alles zelf doen. Hij accepteert geen hulp. Ik stel voor dat hij nog eens exposeert als hij 85 is.’
Wie weet helpt deze reactie van Jo om het werk van deze begaafde zoon van het dorp nog eens tentoon te stellen. Het lijkt me prachtig.