De onwaarschijnlijke avonturen van Hennie ten Buuren (slot)
Familie ten Buuren bij vertrek Hennie genomen in 1951
Zijn jeugd in Hengevelde en omstreken
Aan de verhalen over een wereldse Wegdammer maken we met deze vrij lange aflevering een eind. Ik ga terug naar de jeugd van Hennie ten Buuren. We maken de cirkel daarmee rond van een noeste Wegdammer die de voorkeur gaf aan een boeiend, afwisselend leven, van een man die niet afwachtte maar vooruit dacht en van een baanbreker voor wie een dorp als Hengevelde of een land als Nederland te klein was. Bij zijn forse postuur en minder fijnzinnige motoriek paste een ongepolijst land als Brazilië. Daar heeft hij zich gelukkig gevoeld.
Hennie ten Buuren werd op 27 maart 1926 geboren in Wiene. Bijna twee jaar later kwam zijn broer Toon ter wereld. Dat gebeurde net voorbij de plek waar in het Twentekanaal de bekende sluis is aangelegd. Het huis van de Ten Buurens stond op de plek waar nu het kanaal loopt. Kortom het jonge gezin van Herman en Dina moest verkassen en kwam terecht in het buitengebied van Hengevelde op een kleine boerderij nabij het latere café Roesscher aan de weg naar Bentelo. Het waren de vooroorlogse jaren. De welvaart stokte. Het gezin waar bijna elke twee jaar een kind werd geboren, had het niet breed. ‘Iedereen had het slecht, maar we hebben altijd genoeg te eten gehad’, zegt de bijna 85-jarige Toon ten Buuren. Hij woont met zijn vrouw Dinie in het centrum van Hengelo. Hij vertelde me dat zijn vader Herman melkventer en metselaar was en daarnaast een boerderij dreef. “Maar als je meer kinderen hebt als koeien, ben je geen boer”, had zijn vader hem al relativerend eens toevertrouwd. Senior liet het werk op de boerderij deels over aan zijn vrouw om zelf buitenshuis de kost te kunnen verdienen. Dina, dochter van Bos Teun die destijds café Roesscher runde, moest hard werken in en rond haar huis. Ze verzorgde de kinderen (zeven jongens en vijf meiden) en molk de vijf koeien. ‘De werkzaamheden buitenshuis deed ze liever dan de huishoudelijke beslommeringen binnen’, vertelt Toon.
Kopman
Ik wilde graag weten hoe en waar het leven van Hennie zich heeft afgespeeld in zijn jeugd. Toon is slechts één en driekwart jaar jonger en was in zijn jeugd altijd zeer close met Hennie. Ze speelden als kleuters veel buiten. Ruimte genoeg. Op de lagere school in Hengevelde bleek dat Hennie goed kon leren. Maar een andere eigenschap van hem openbaarde zich ook. Hennie had vrij gauw ruzie. ‘Hij was een kopman’, noemt Toon dat. ‘Dan hoorde je ergens op het ruime schoolplein “ruzie, ruzie, ruzie” en dan dacht ik alweer bij mezelf: dat zal Hennie wel zijn.’ Hij herinnert zich de namen van de meesters en juffrouwen nog goed. Wassenberg, Roorda, Wegdam, de juffrouws Ter Elst en Loonen. Ze maakten de wisseling van de Wassenbergs mee. ‘Hennie heeft de oude Wassenberg nog gehad, ik heb bij zijn zoon Piet in de klas gezeten.’
Toon karakteriseert die tijd als mooi. ‘Iedereen had het slecht in de jaren dertig, maar we hebben altijd genoeg te eten gehad.’ Hij en Hennie en ook zijn één jaar jongere broer Gerrit werden voor ze van de lagere school af waren, al ingeschakeld om thuis werkzaamheden te doen. Knollen trekken, rogge binden en meer van dat soort handmatige werkzaamheden die toen heel normaal waren.
Bombardement
Na de lagere school moesten de jongens van Ten Buuren meteen aan het werk. Hennie kreeg een baan op de melkfabriek in Hengevelde. Daar bleef hij tot aan het bombardement in juli 1943. Hij was binnen aan het werk, toen de bommen op de fabriek vielen. Een zware elektrische motor viel naar beneden en viel met een enorme plof op de grond, precies naast de plek waar Hennie stond. Hij zat onder het puin, maar kwam goed weg, had alleen een paar schaafwonden. Toon ging na de lagere school naar Wormgoor in Markvelde waar hij kwam te werken op de kammenfabriek. Maar ook moest hij vaak meehelpen in het kippenbedrijf.
Tabak
Het zat al een tijd in zijn hoofd en wellicht altijd al in zijn genen. Hennie wist dat er een moment zou komen dat hij voor zichzelf zou beginnen. Het bombardement was de aanleiding. De melkfabriek was verwoest. De 27-jarige greep de trieste gebeurtenis aan om thuis stro-tassen te gaan vlechten. Daarna begon hij met tabak te kweken en te snijden voor hemzelf en voor anderen. Toon herinnert zich dat hij, Hennie en vader Herman in juni 1944 op de fiets naar Elst reden om tabaksplanten te halen. Dat deden ze in één dag, tachtig kilometer heen en tachtig kilometer terug. Tot het eind van de oorlog bleef Hennie in de tabak. ‘Het was een goede business. In financieel opzicht hadden we het beter dan voor het bombardement. Het was al met al een mooie tijd. Hennie prakkezeerde zich van alles uit. Hij ontwierp zelf een tabaksnijmachine, die hij bij Braakhuis in elkaar liet lassen.’ Toon weet nog goed hoe in de loods en op de zolder van hun huis de tabaksbladeren te drogen lagen. Langs alle spanten van de boerderij hingen de bladeren. ‘Hij verkocht de tabaksbladeren uiteindelijk aan handelaren en particulieren, voor shag of pijptabak. Ook sneed hij tabak voor andere boeren. We moesten allemaal meehelpen.’
Autonoom
In de schaarse vrije tijd, las hij een boek. Hennie ging weinig uit. ‘Meestal haalde hij vrijdags bij Bekkers drie boeken, die hij op maandag al uit had.’ Zo zag zijn leven eruit in de oorlogsjaren. Daarna ging hij werken bij kwekerij De Boer tussen Delden en Hengelo; om precies te zijn daar waar nu de A35 loopt. Maar de drang om autonoom te willen zijn, om niet afhankelijk te zijn van anderen, zat nog steeds in hem. Zijn broer Toon vertelt dat hij van alles aanpakte. Zo kocht hij een kas in Hengelo en bouwde die weer op in Hengevelde om er bloemen te kweken. ‘Maar’, zegt Toon, ‘een succes werd het niet.’ Hennie was echter niet kapot te krijgen. Hij begon met een loonspuitbedrijf van bomen en akkers. Hij plukte appels bij de boeren, waarmee hij dan weer naar de veiling ging in Enschede. Zijn oudste broers hielpen hem, als ze vrij waren.
Naar Brazilië
Dit duurde tot 1950. Toen ging Hennie werken bij Stork Chemie nabij de zoutfabriek. Daar werkte hij in de productie. Hij had intussen Gerrit Oude Groeniger leren kennen en samen kwamen ze op het idee te emigreren. Ze wilden eerst naar Canada, maar later werd het Brazilië. In 1951 zijn ze vertrokken – zoals al eerder beschreven – maar de emigratie had nog heel wat voeten in de aarde. Hennies moeder Dina kwam zelfs op het idee met het hele gezin te gaan. Maar Toons vriendin en huidige vrouw Dinie wilde niet mee. Ze woonde in Hengelo en had andere ideeën over haar toekomst met Toon. Daardoor ging het niet door en ging Hennie alleen met Oude Groeniger en ook een zeker heer Weijs en zijn vrouw reisden mee. ‘Goddank, zeg ik achteraf. De complete gezinnen die gingen, hadden het stuk voor stuk in het begin bepaald niet breed.' Toon noemt de familie van Hennies vrouw Toos als voorbeeld. De familie Crins was in 1950 vanuit Nederweert naar Holambra getrokken en leefde daar aanvankelijk in armoede.
Hennie ging dus met Oude Groeninger uit Delden en Toon herinnert zich nog het afscheid van zijn ouders. ‘Die hadden het er heel moeilijk mee. Ze dachten hem nooit meer terug te zien. Samen met Gerard Rupert hebben mijn vrouw en ik hen naar het station in Hengelo gebracht. Toon zwaaide zijn oudste broer en beste maat uit. ‘Ik merkte niet veel aan hem. Waarschijnlijk liet hij zijn emoties niet zien, maar waren die er innerlijk wel. We konden goed met elkaar. Altijd als Hennie wat wilde bespreken, deed hij dat met mij’, zegt Toon.
Pas na 16 jaar kwam zijn broer voor het eerst terug naar Twente. Dat was ter gelegenheid van de bruiloft van zijn zus Riekie. Daarna kwam hij nagenoeg elk jaar naar Nederland en combineerde zijn reizen naar Hengevelde met bezoekjes aan beurzen en zaken overal in Europa. Nadat hij in zijn jonge leven van de ene job naar de andere was gefladderd, ging het hem in Brazilië na enige aanlooptijd voor de wind. Eerst met het fabriceren van installaties voor kippen- en hanenhokken, later met het maken van containers.
Hennie is op 13 augustus 2000 op 74-jarige leeftijd overleden. Zijn dochter Ina runt het containerbedrijf, zoon René woont alleen in het ouderhuis en zoon Claudio geeft leiding aan een succesvol bedrijf dat grond mengt tot vruchtbare tuinaarde.
De foto bovenaan is in 1951 genomen bij het vertrek van Hennie naar Brazilië.
Achterste rij vlnr met erachter de plaats waar ze zich later vestigden:
Leo (Delden), Frans (Goor), Marietje (Lobith), Gerrit (Hengevelde), Dinie (Bentelo), Harrie (Hengevelde).
Voorste rij: Riekie (Goor), Toon (Hengelo), vader Herman en moeder Dina (Hengevelde), Bennie (Goor), Hennie (Holambra), Annie (Enter) en Finie (Hengevelde).
Vader Herman is in 1980 overleden op 79-jarige leeftijd, moeder Dina overleed in 1989. Ze was toen 87. Gerrit, Hennie en Harrie zijn overleden in respectievelijk 1998, 2000 en 2011. Gerrit is 69 jaar geworden, Hennie 74 en Harrie 77.